Bert Dirrix: ‘Soms moet je op eieren lopen, soms moet je ze plat trappen’

In Analyse, Nieuws door HB1 Reactie

Fase 1 stationsgebied zit er met de opening van het laatste stuk singel grotendeels op. BU wil daarom de balans opmaken. Voor een beschouwing door de ogen van een betrokkene spraken we – pre covid – met Bert Dirrix. Hij is partner van het Eindhovense architectenbureau Diederendirrix Architectuur & Stedenbouw en was in de periode 2002 tot 2014 supervisor in het Atelier Stedenbouw, een adviesgroep van de gemeente Utrecht. Het Atelier Stedenbouw heeft intensief meegedacht over de plannen in het stationsgebied. BU sprak met hem om te horen wat hij van het resultaat tot nu toe vindt.

‘Het goede van het masterplan was dat het geen hermetische blauwdruk bood, zoals de voorgangers’, begint Dirrix. ‘Het idee was dat het een proces op gang zou brengen. Een proces waarin een opeenvolgende reeks initiatieven in goed overleg onderling werden afgestemd. Dus geen eindbeeld van bovenaf opleggen, maar interactief met de gebruikers en eigenaren van het gebied ontwerpen. Het was onvermijdelijk dat het ook discussie en strijd zou opleveren.’

Essentieel daarbij was de ontmanteling van de mastodont Hoog Catharijne en het station, in de woorden van Dirrix. Dit gebied moest worden teruggeven aan de stad. Het station moest een eigen toegang krijgen. Er moesten meer adressen op maaiveld en op het eerste niveau komen. Het tweede belangrijke punt was het creëren van een goede verbinding tussen oost en west, waarbij het station niet langer een blokkade was maar een verbindend element.

BU: Niet alles lag vast…
BD: Wat vooral nog niet duidelijk was, wat zich nog moest ontwikkelen was welke stedelijkheid, zeg maar bouwhoogtes en schalen, het gebied moest gaan krijgen. Daarop zijn door de tijd veel bijstellingen geweest. Het is gaandeweg ontstaan. Die onvoorspelbaarheid hoort bij de groei en ontwikkeling van een stad en dat hebben we gekoesterd. Het moet een beetje wringen.

Hebben jullie jezelf beperkt tot het masterplan of ging het verder?
Het masterplan moest de verbinding maken, de gebieden aanwijzen om te ontwikkelen, de kosten lokaliseren en de investeringen markeren. Maar we hebben ook oog gehad voor de periferie. Want wat er in de omgeving plaatsvindt mag niet in strijd zijn met de uitgangspunten van het masterplan. Negatieve spin-offs wilden we vermijden. We hebben externe plannen opgevraagd en er ongevraagd over geadviseerd. We hebben ons goed gerealiseerd dat als we ons werk goed doen de omgeving op eigen kracht gaat mee veranderen. Dat werkt als een vliegwiel.

Ambitieus…
Zeker, maar we hadden een paar breekijzers. Allereerst het station. Daar is een grote kwaliteitsslag gemaakt, met allure en verbeelding, een markant middelpunt. Tel daarbij de grote fietsenstallingen die zijn toegevoegd. Aan de westkant hebben we het forumniveau bedacht waarbij het Stadskantoor als eerste is gerealiseerd. De toekomst zal moeten uitwijzen of verdere uitbreidingen van gebouwen op dat forum tot een goed functionerend gebied zal leiden.

U twijfelt daar aan?
Nee, geen twijfel, gewoon nieuwsgierig.

En de Stadskamer?
De stadskamer is bijzonder en functioneert als ruimte ook goed, maar het is niet het meest logisch. Een plaat over het water, een verkeersdoorgang ernaast en voetgangersverbindingen tussen het winkelcentrum en de straat. Ik ken niets vergelijkbaars in de wereld. Hoe dit gaat uitpakken is de grote vraag. Pas met het water zullen we weten of deze keuzes tot tot een goede oplossing hebben geleid.

Wat vindt u van de verhoudingen tussen het programma: wonen, kantoren, winkels, OV et cetera?
Dat is zo lastig te zeggen. Het OV functioneert momenteel prima. We dachten dat het nog wel een tijdje mee kon maar nu krijg ik toch wel signalen dat we veel sneller tegen de grenzen aan lopen. Dit station is qua capaciteit eigenlijk wel een eindbod. Als het spoor verder groeit, moet dit buiten het centraal station opgevangen worden. Dus intercitystations aan de randen van de stad bouwen. Wat fietsparkeren betreft geldt hetzelfde: de capaciteit is eigenlijk al bereikt. Wat ik wel goed vind is dat het autoparkeren ook een eindbod is. Daar is geen groei meer in mogelijk.
Verder zie je hier zoals in alle binnensteden de woningbehoefte groeien. Het woningprogramma is daarom uitgebreid. Wat ik wil benadrukken is dat het inclusief moet zijn. Dus bouwen voor alle typen woningzoekenden. Er mag geen verdringing plaatsvinden.

En het winkelaanbod?
De retail staat aan weer heel andere dynamieken bloot. Gecondenseerde retail heeft veel vermogen om zich aan te passen. Hoog Catharijne is op het scherpst gesneden en zal zich wel redden. Ik maak me meer zorgen om de kleinere centra.

Waren burgers en politiek voldoende betrokken bij de uitvoering van de plannen?
Dat is een lastige, want wat is voldoende? Iedereen zal daar anders over oordelen en mensen die ergens tegen protesteren zullen niet gauw vinden dat ze voldoende gehoord zijn. Wij kregen van POS (Projectorganisatie Stationsgebied, red.) informatie aangeleverd waarover we vervolgens adviezen gaven. Om politieke redenen werd daar nog wel eens van afgeweken.

Hoe kijkt u terug op het proces?
Ik had niet verwacht dat er in tien jaar zoveel gerealiseerd zou worden. Wat ik erg verheugend vind is dat het niet gestokt is. Er is tempo gemaakt, er zijn veel complicaties overwonnen, er was een bizarre hoeveelheid vergunningen voor nodig. Het is enorm knap dat deze ingewikkelde schuifpuzzel is gemaakt op het grote schaakbord van belangen. Als je samen tot oplossingen wilt komen moet je op eieren lopen. Maar soms moet je ze ook bewust plat trappen.

Wat vindt u van het eindresultaat, als je van een “eind” kunt spreken?
Vooral de constellatie bij elkaar is een rijke ervaring. Maar ik vind de individuele expressie van de gebouwen, de architectuur, niet zo belangrijk. Het hoefde niet mooi te zijn, we wilden geen kunstwerk maken. Hoewel ik het Zuidgebouw wel een mooie aanwinst vindt. En natuurlijk de grote fietsenstalling. Wat daarvan is gemaakt, uitgaande van functionele randvoorwaarden, is buitengewoon. Bij zo’n groot gebied ontwikkel je niet vanuit één concept. Wat je doet is zorgvuldig de interactie regisseren tussen een groot aantal initiatieven met het masterplan als leitmotiv. Wat telt is of het stedenbouwkundig klopt.

En klopt het?
Als het gebied functioneert zoals we hopen: veilig, dynamisch en aangenaam, dan is het gelukt.

Beter of slechter dan vergelijkbare initiatieven?
Onvergelijkbaar. Utrecht is uniek, waar je zo bovenop het station zit. Utrecht heeft met het stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum een overtuigende stap gezet naar meer stedelijkheid.

U mag het een rapportcijfer geven…
Een acht. Verdiend.

Reacties

Reageer